rosalie33 schreef:
Noëlle
Tegen het donker kom ik aan bij het huisje. Het ziet er erg eng uit. Zo... Levenloos. Met mijn bijl in mijn handen geklemd loop ik langzaam richting de voordeur. Hier en daar zitten er wat bloedspetters op mijn kleding, gezicht, en mijn armen, wat komt doordat ik daarnet nog werd aangevallen door wat zombies. Ik tril nog steeds een beetje na, nog denkend aan de hoeveelheid doorboorde zombies die dood neervielen. Het waren er gelukkig maar drie, maar het voelt wel alsof ik er een stuk of twintig heb neergehaald. De laagstaande zon zorgt dat het huisje, ondanks de vele bomen hier, een warme uitstraling geeft. Oké, het mag er dan ook wel wat spookachtig uitzien omdat hier al een jaar geen leven is geweest, maar met de zon zo is het echt een plaatje. Mijn hand glijdt over de deurklink en ik voel dat de deur op slot zit. Natuurlijk, alsof mijn vader zo dom is om de deur open te laten. Ik weet nog altijd dat mijn vader de sleutel onder de deurmat schoof voor als hij wat later klaar was dan ik, dus ga ik op mijn hurken zitten en tast ik onder de deurmat. Na een paar tellen voel ik het koude metaal van de sleutel. Wanneer ik de sleutel heb en de deur open, krijg ik kippenvel. Ik ben hier al een hele tijd niet meer geweest, en het is best bijzonder dat ik mijn tijd hier mag gaan uitzitten, op de plek waar mijn vader ook zat op lange avonden. Ik trap mijn sneakers uit, hang mijn jas op en loop de woonkamer binnen. Het is echt alsof ik niet weg ben geweest. Er ontstaat een zwakke glimlach op mijn gezicht terwijl ik even om mij heenkijk. Er staat zelfs nog een paar schoenen van mij in de gang, namelijk mijn bruine laarzen die ik meestal aandeed als ik hout ging hakken. Mijn kleding zal hier waarschijnlijk ook nog wel liggen. Net voordat ik naar boven wil rennen, besef ik mij dat het toch verstandig is om alle ramen en deuren op slot te doen en de gordijnen te sluiten. Niemand mag weten dat ik hier zit. Straks verraad ik mijzelf nog als het licht hier 's nachts aanstaat... Ik zet die gedachtes maar gauw opzij en loop, zodra ik alles goed heb afgesloten, de trap op richting mijn kamertje. Ik doe de slaapkamerdeur open en voel een klein glimlachje opkomen. Het vertrouwde gevoel komt steeds meer terug. Langzaam loop ik richting mijn kledingkast, waar inderdaad nog wat kleding van mij in ligt. Gelukkig maar, want wat ik nu aan heb kan ik maar beter even wassen. Ik kleed mij uit en loop richting de badkamer. Ik denk dat ik zelf ook wel even een douche kan gebruiken.
Schoon en wel plof ik neer op de bank in de kleine woonkamer. Mijn kleding hangt ondertussen al aan het droogrek te drogen, dus dat komt mooi uit. Veel eten is hier niet in huis, maar in mijn rugzak zat nog het een en ander. Met een aantal kaarsen aangestoken en verspreid door de woonkamer, staar ik naar de televisie. Hij staat uit, aangezien ik nu geen behoefte heb aan het nieuws. Het zal wel allemaal gaan over de apocalyps en over de doden die zijn gevallen. Zuchtend kijk ik even naar mijn handen, die in mijn schoot rusten. Hoe zal het met Stephan gaan? Ik heb hem nog niet gezien, laat staan iets van hem gehoord. Tja, dat is ook wel logisch aangezien ik thuis moest blijven, en niet weg moest gaan. Natuurlijk is dit ook wel een "thuis", maar ik weet dat hij niet dit huis bedoelt. Hij bedoelt het huis in de stad. Het idee dat hij al gedood is komt ook steeds vaker terug in mijn gedachtes, hoe graag ik het ook wil verbannen uit mijn hoofd. Ik begrijp eerlijk gezegd nog steeds niet waarom hij mij alleen heeft gelaten. Hij weet dat er een verdomde apocalyps uitbreekt en verdwijnt dan gewoon? Hij wilt mij niet in gevaar brengen en wilt mij veilig thuis laten, maar dat vind ik juist gevaarlijk. Die zombies doen er alles aan om je huis binnen te komen en zullen je doden zodra ze de kans krijgen. Met z'n tweeën waren we veiliger, maakt niet uit waar we waren. Een traan rolt stilletjes over mijn wangen. Ik hoop echt dat het goed met hem gaat. Nu ik zo op de bank zit merk ik pas hoe moe ik ben na vandaag. Ik heb de halve dag door de stad en het bos gelopen richting dit huis, heb een aantal zombies vermoord en ben mijn broer kwijtgeraakt. Niemand kan mij wijsmaken dat het morgen nog erger gaat worden. Gapend kom ik overeind en blaas ik de kaarsen één voor één uit, maar ik laat de kandelaar branden. Ik neem de kandelaar en loop naar boven, richting mijn slaapkamer. Ik weet niet of het heel verstandig is om in mijn bed te slapen, maar als het goed is komen de zombies niet zo diep in het bos. Want ja, we zitten nu echt bijna midden in het bos. Ik zet de kandelaar op mijn nachtkastje neer, kruip onder de dekens en blaas hem vervolgens uit. Na een lange tijd te hebben gemaald over alles wat er vandaag is gebeurd, val ik in een onrustige slaap.
Noëlle
Tegen het donker kom ik aan bij het huisje. Het ziet er erg eng uit. Zo... Levenloos. Met mijn bijl in mijn handen geklemd loop ik langzaam richting de voordeur. Hier en daar zitten er wat bloedspetters op mijn kleding, gezicht, en mijn armen, wat komt doordat ik daarnet nog werd aangevallen door wat zombies. Ik tril nog steeds een beetje na, nog denkend aan de hoeveelheid doorboorde zombies die dood neervielen. Het waren er gelukkig maar drie, maar het voelt wel alsof ik er een stuk of twintig heb neergehaald. De laagstaande zon zorgt dat het huisje, ondanks de vele bomen hier, een warme uitstraling geeft. Oké, het mag er dan ook wel wat spookachtig uitzien omdat hier al een jaar geen leven is geweest, maar met de zon zo is het echt een plaatje. Mijn hand glijdt over de deurklink en ik voel dat de deur op slot zit. Natuurlijk, alsof mijn vader zo dom is om de deur open te laten. Ik weet nog altijd dat mijn vader de sleutel onder de deurmat schoof voor als hij wat later klaar was dan ik, dus ga ik op mijn hurken zitten en tast ik onder de deurmat. Na een paar tellen voel ik het koude metaal van de sleutel. Wanneer ik de sleutel heb en de deur open, krijg ik kippenvel. Ik ben hier al een hele tijd niet meer geweest, en het is best bijzonder dat ik mijn tijd hier mag gaan uitzitten, op de plek waar mijn vader ook zat op lange avonden. Ik trap mijn sneakers uit, hang mijn jas op en loop de woonkamer binnen. Het is echt alsof ik niet weg ben geweest. Er ontstaat een zwakke glimlach op mijn gezicht terwijl ik even om mij heenkijk. Er staat zelfs nog een paar schoenen van mij in de gang, namelijk mijn bruine laarzen die ik meestal aandeed als ik hout ging hakken. Mijn kleding zal hier waarschijnlijk ook nog wel liggen. Net voordat ik naar boven wil rennen, besef ik mij dat het toch verstandig is om alle ramen en deuren op slot te doen en de gordijnen te sluiten. Niemand mag weten dat ik hier zit. Straks verraad ik mijzelf nog als het licht hier 's nachts aanstaat... Ik zet die gedachtes maar gauw opzij en loop, zodra ik alles goed heb afgesloten, de trap op richting mijn kamertje. Ik doe de slaapkamerdeur open en voel een klein glimlachje opkomen. Het vertrouwde gevoel komt steeds meer terug. Langzaam loop ik richting mijn kledingkast, waar inderdaad nog wat kleding van mij in ligt. Gelukkig maar, want wat ik nu aan heb kan ik maar beter even wassen. Ik kleed mij uit en loop richting de badkamer. Ik denk dat ik zelf ook wel even een douche kan gebruiken.
Schoon en wel plof ik neer op de bank in de kleine woonkamer. Mijn kleding hangt ondertussen al aan het droogrek te drogen, dus dat komt mooi uit. Veel eten is hier niet in huis, maar in mijn rugzak zat nog het een en ander. Met een aantal kaarsen aangestoken en verspreid door de woonkamer, staar ik naar de televisie. Hij staat uit, aangezien ik nu geen behoefte heb aan het nieuws. Het zal wel allemaal gaan over de apocalyps en over de doden die zijn gevallen. Zuchtend kijk ik even naar mijn handen, die in mijn schoot rusten. Hoe zal het met Stephan gaan? Ik heb hem nog niet gezien, laat staan iets van hem gehoord. Tja, dat is ook wel logisch aangezien ik thuis moest blijven, en niet weg moest gaan. Natuurlijk is dit ook wel een "thuis", maar ik weet dat hij niet dit huis bedoelt. Hij bedoelt het huis in de stad. Het idee dat hij al gedood is komt ook steeds vaker terug in mijn gedachtes, hoe graag ik het ook wil verbannen uit mijn hoofd. Ik begrijp eerlijk gezegd nog steeds niet waarom hij mij alleen heeft gelaten. Hij weet dat er een verdomde apocalyps uitbreekt en verdwijnt dan gewoon? Hij wilt mij niet in gevaar brengen en wilt mij veilig thuis laten, maar dat vind ik juist gevaarlijk. Die zombies doen er alles aan om je huis binnen te komen en zullen je doden zodra ze de kans krijgen. Met z'n tweeën waren we veiliger, maakt niet uit waar we waren. Een traan rolt stilletjes over mijn wangen. Ik hoop echt dat het goed met hem gaat. Nu ik zo op de bank zit merk ik pas hoe moe ik ben na vandaag. Ik heb de halve dag door de stad en het bos gelopen richting dit huis, heb een aantal zombies vermoord en ben mijn broer kwijtgeraakt. Niemand kan mij wijsmaken dat het morgen nog erger gaat worden. Gapend kom ik overeind en blaas ik de kaarsen één voor één uit, maar ik laat de kandelaar branden. Ik neem de kandelaar en loop naar boven, richting mijn slaapkamer. Ik weet niet of het heel verstandig is om in mijn bed te slapen, maar als het goed is komen de zombies niet zo diep in het bos. Want ja, we zitten nu echt bijna midden in het bos. Ik zet de kandelaar op mijn nachtkastje neer, kruip onder de dekens en blaas hem vervolgens uit. Na een lange tijd te hebben gemaald over alles wat er vandaag is gebeurd, val ik in een onrustige slaap.